Hoe moet de investeringsaftrek (KIA) worden verdeeld bij een maatschap of VOF?

Nieuws

De Hoge Raad heeft in een arrest duidelijk gemaakt hoe de investeringsaftrek (KIA) moet worden verdeeld over de verschillende vennoten of maten in een VOF of maatschap.

Casus

In de casus in het arrest van de Hoge Raad is er een VOF met twee broers, die beiden gerechtigd zijn tot 50% van de winst. Zij investeren gezamenlijk in 2016 € 119.385 in de VOF. Bij dit investeringsbedrag kan in 2016 een bedrag van € 14.505 als investeringsaftrek worden geclaimd. Het Gerechtshof bepaalde dat dit bedrag niet door beide broers volledig in aftrek kan worden gebracht. Omdat beiden tot 50% van de winst van de VOF gerechtigd zijn, kunnen zij volgens het Gerechtshof beiden slechts de helft van dit bedrag in aftrek brengen. De broers gaan in cassatie bij de Hoge Raad, maar die bevestigt de uitspraak van het Gerechtshof. Hoewel de Hoge Raad vindt dat het Gerechtshof een onjuiste rekenmethode heeft gebruikt, komt de juiste rekenmethode volgens de Hoge Raad tot dezelfde uitkomst.

Overwegingen Hoge Raad

De Hoge Raad komt tot deze uitspraak doordat volgens hem iedere deelnemer in een samenwerkingsverband een eigen onderneming drijft, dus moet ook voor ieder individueel de winst worden berekend. Volgens de Hoge Raad is het niet de bedoeling dat door een samenwerkingsverband meer investeringsaftrek wordt gekregen dan in het geval de onderneming in de vorm van een eenmanszaak of BV wordt gedreven. De Hoge Raad geeft daarom aan hoe in de KIA moet worden berekend voor vennoten in een VOF  als zij geen buitenvennootschappelijke investeringen hebben gedaan en ook niet in een andere onderneming hebben geïnvesteerd.

Om die KIA voor een vennoot in een VOF te bepalen moet als eerst worden gedaan alsof de VOF voor rekening van één belastingplichtige wordt gedreven. In de tabel waarin verschillende rijen met de hoogte van de KIA bij een bepaald investeringsbedrag staan, moet daarom worden gekeken welk bedrag aan KIA in aftrek kan worden gebracht als de investering wordt gedaan door één belastingplichtige. Elke vennoot moet vervolgens berekenen wat het percentage van dat bedrag aan KIA is ten opzichte van de gehele investering van de onderneming. Dit percentage moet vervolgens vermenigvuldigd worden met het deel van de investering in de VOF dat aan de specifieke vennoot is toe te rekenen.

De Hoge Raad geeft aan dat deze methode ook geldt indien er wel individuele investeringen zijn gedaan door de belastingplichtige, maar het bedrag aan investeringen uit het samenwerkingsverband en de individuele investeringen opgeteld binnen dezelfde rij in de KIA-tabel vallen als wanneer enkel rekening zou worden gehouden met de investeringen van het samenwerkingsverband.

Uitwerking casus

De Hoge Raad komt tot de volgende berekening in deze specifieke casus:

Bij de investering van € 119.385 komt op grond van de KIA-tabel een KIA in aftrek van € 14.504,84 indien een eenmanszaak of BV dit bedrag zou investeren.

Het percentage van het bedrag ten opzichte van het gehele investeringsbedrag van de VOF is dan: 14.504,84/119.385 *100 = 12,15%. Het aandeel van de investering van iedere vennoot is € 59.692,50, 50% van het totale geïnvesteerde bedrag. De KIA wordt dan per vennoot als volgt berekend: 12,15%*59.692,5= 7.252.

Per vennoot bestaat volgens de Hoge Raad daarmee een recht op investeringsaftrek van € 7.252.